Agenda

Morgendienst 2 (sectie 4-7)

Kalender
Kerkdiensten De Fontein
Datum
13 oktober 2019 11:00 - 12:00

Beschrijving

Liturgie 13-10-2019,  9u en 11u     Chiel Vleesenbeek

 

  • Votum en groet             Sela

Onze hulp en onze verwachting is van God onze Heer,
Hij die alles maakte laat niet los wat hij begon
Genade en vrede van God de vader
Door Jezus zijn zoon immanuël
Hij woont met zijn geest in ons. 

  • Zingen LB 835

1 Jezus, ga ons voor, deze wereld door
en U volgend op Uw schreden,
gaan wij moedig met U mede.
Leid ons aan Uw hand, naar het vaderland.

2 Valt de weg ons lang, zijn wij klein en bang,
sterk ons Heer om zonder klagen,
achter U ons kruis te dragen.
Waar Gij voor ons trad, is het rechte pad.

3 Krimpt ons angstig hart onder eigen smart,
moet het met de ander lijden,
Jezus, geef ons kracht tot beide.
Wees Gij zelf het licht dat ons troost en richt.

4 In de woestenij, Heer, blijf ons nabij,
met Uw troost en met Uw zegen,
tot aan 't eind van onze wegen.
Leid ons op Uw tijd, in Uw heerlijkheid.

  • Zingen GKB 167

Machtig God, sterke rots, U alleen bent waardig.
Aarde en hemel prijzen U, glorie voor uw naam.
Lam van God, hoogste Heer, heilig en rechtvaardig,
stralend licht, morgenster, niemand is als U.
Prijs de Vader, prijs de Zoon, prijs de Geest die in ons woont.
Prijs de koning der heerlijkheid, prijs Hem tot in eeuwigheid.

  • Wet
  • Gebed
  • Zingen DNP Psalm 54: 1,2
  1. Verlos mij, God, uw naam is groot!
    Doe recht door krachtig op te treden.
    Schenk aandacht, God, aan mijn gebeden;
    hoor hoe ik roep in grote nood.
    Want vreemde mensen staan paraat
    om mij met grof geweld te doden.
    Ze denken niet aan uw geboden;
    ze doen alsof U niet bestaat.
  2. U, God, mijn helper, staat mij bij.
    Ik weet mij, Heer, door U gedragen.
    Breng hen die op mijn leven jagen
    tot zwijgen, toon uw trouw aan mij.
    Wat bent U goed, ik dank U, HEER!
    Ik zal uw naam voluit bezingen.
    U strafte die ellendelingen.
    Ze vielen voor mijn ogen neer.
  • Lezen                         NBV Rechters 13,1-25

1 Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde de HEER hen veertig jaar lang over aan de Filistijnen. 2 In die tijd leefde er in de omgeving van Sora een zekere Manoach, die tot de stam Dan behoorde. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen. 3 Op een dag verscheen bij haar een engel van de HEER. ‘Tot nu toe was u onvruchtbaar en hebt u geen kinderen gekregen,’ zei hij. ‘Maar nu zult u zwanger worden en een zoon baren. 4 Onthoud u daarom van wijn en andere drank en eet geen voedsel dat onrein is. 5 U zult zwanger worden en een zoon krijgen. Zijn haar mag nooit door een scheermes worden aangeraakt, want hij zal al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd zijn. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Israël uit de greep van de Filistijnen.’ 6 De vrouw ging naar haar man en vertelde hem dat er een godsman bij haar was geweest. ‘Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit,’ zei ze, ‘het leek wel een engel van God. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam en hij heeft me zijn naam niet gezegd. 7 Hij zei tegen me dat ik zwanger zou worden en een zoon zou krijgen. Van nu af aan mag ik geen wijn of andere drank drinken en niets onreins eten, want onze zoon zal vanaf de moederschoot tot aan de dag van zijn dood als nazireeër aan God gewijd zijn.’ 8 Manoach bad tot de HEER: ‘Mag ik u vragen, Heer, laat de godsman die u gezonden hebt toch opnieuw bij ons komen, om ons te vertellen wat we moeten doen wanneer de jongen eenmaal geboren is.’ 9 God verhoorde hem en de engel van God kwam opnieuw naar de vrouw toe. Zij was bezig op het land, Manoach was op dat moment niet bij haar. 10 Ze haastte zich naar haar man: ‘Hij is er weer,’ riep ze, ‘die man die laatst bij me was!’ 11 Manoach ging meteen met haar mee. Bij de vreemdeling aangekomen vroeg hij: ‘Bent u degene die met mijn vrouw gesproken heeft?’ ‘Inderdaad,’ antwoordde hij, 12 en Manoach vroeg: ‘Wanneer uw woorden uitgekomen zijn, hoe moet de jongen zich dan gedragen en wat moet hij doen?’ 13 De engel van de HEER antwoordde: ‘Uw vrouw moet zich onthouden van alle dingen die ik heb genoemd: 14 ze mag niet eten van de vruchten van de wijnstok en geen wijn of andere drank drinken of iets eten dat onrein is; ze moet zich nauwkeurig houden aan wat ik haar heb opgedragen.’ 15 Toen zei Manoach tegen de engel van de HEER: ‘Wij zouden graag zien dat u nog bleef, zodat we voor u een geitenbokje kunnen klaarmaken.’ 16 Maar de engel van de HEER antwoordde: ‘Ik wil nog wel even blijven, maar ik zal niet eten van wat u mij aanbiedt. Als u echter een brand-offer aan de HEER wilt opdragen, mag u dat doen.’ Manoach wist nog altijd niet dat hij met een engel van de HEER te maken had. 17 ‘Zeg ons uw naam,’ vroeg hij, ‘zodat wij u eer kunnen bewijzen wanneer uw woorden uitgekomen zijn.’ 18 Maar de engel van de HEER antwoordde: ‘Waarom vraagt u naar mijn naam? Die is voor u toch te wonderbaarlijk.’ 19 Manoach nam een geitenbokje en wat brood en bracht dit op een rotsblok ten offer aan de HEER. Toen gebeurde er voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks: 20 in de vlam die van het altaar opschoot naar de hemel steeg de engel van de HEER op. Manoach en zijn vrouw zagen het gebeuren; ze vielen op hun knieën en bogen diep voorover. 21 De engel van de HEER zou zich niet meer aan hen laten zien. Nu besefte Manoach dat het een engel van de HEER was geweest. 22 Hij zei tegen zijn vrouw: ‘We hebben God gezien. Dat wordt onze dood!’ 23 Maar zijn vrouw antwoordde: ‘Als God ons had willen doden, had hij vast ons offer niet aanvaard en ons niet laten zien wat we nu gezien hebben. En dan had hij ons daarnet zeker niet zulke beloften gedaan.’ 24 De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen genoot de zegen van de HEER en groeide voorspoedig op. 25 Tussen Sora en Estaol, waar de Danieten hun tenten hadden opgeslagen, werd hij voor het eerst door de geest van de HEER tot daden aangezet.

  • Verkondiging
  • Zingen LB 912: 1,2,3

1 Neem mijn leven, laat het, Heer,
toegewijd zijn aan uw eer.
Maak mijn uren en mijn tijd
tot uw lof en dienst bereid.

2 Neem mijn handen, maak ze sterk,
trouw en vaardig tot uw werk.
Maak dat ik mijn voeten zet
op de wegen van uw wet.

3  Neem mijn stem, opdat mijn lied
U, mijn Koning, hulde biedt.
Maak, o Heer, mijn lippen rein,
dat zij uw getuigen zijn.

  • Gebed
  • Collecte
  • Zingen ` GKB 211

1 Wij knielen voor uw zetel neer,
wij, Heer, en al uw leden
en eren U als onze Heer
met liederen en gebeden.
Dat alle macht, hoe hoog, hoe groot,
voor U, o Godsgetuige,
o eerstgeborene uit de dood,
zich diep ootmoedig buige.

2 Die ons, gereinigd door uw bloed,
tot priesters hebt verheven
en ons de hoge rang, de moed
van koningen gegeven,
U zij de roem, U zij de lof,
U de eerkroon opgedragen.
Geheel de aarde en ’t hemelhof
moet van uw eer gewagen.

3 U, die als Heer der heerlijkheid
verrees tot heil der volken,
verwachten wij in majesteit
eens weder op de wolken.
Ja, halleluja, zie, Hij komt!
Juich, mensen, engelen samen
met vreugd, waar alles bij verstomt.
Juich allen! Amen, amen.

  • Zegen
GKV Zwolle-West is onderdeel van het landelijke GKV kerkverband. | Privacy verklaring| Website door Inxpact